zondag 6 november 2016

WEG MET DE COMMERCIE IN DE WETENSCHAP/SANDRA BECKERMAN in het Parool

Door de toenemende invloed van bedrijven op wetenschappelijk onderzoek worden belangrijke vragen niet meer gesteld en raken conclusies gekleurd. Zo is zestig procent van het geld voor voedingsmiddelenonderzoek van de universiteit van Wageningen privaat. Edith Freskens, hoogleraar voeding en gezondheid aan die universiteit, liet zaterdag in Het Parool optekenen dat er te weinig onderzoek wordt gedaan naar preventie omdat geen bedrijf dat wil financieren. Het is exemplarisch. Niet alleen voor het voedingsmiddelenonderzoek maar voor veel meer wetenschappelijke disciplines. Nederland investeert steeds minder in wetenschap en innovatie; in 2020 zal nog 0,79 procent van het bruto nationaal product hiervoor ingezet worden. Het laagste niveau in twintig jaar, onder het Europees gemiddelde.
De wetenschap stagneert doordat er op universiteiten te weinig geld is voor onderzoek dat leidt tot wetenschappelijke doorbraken. En een groeiend deel van het overheidsgeld moet worden uitgegeven aan onderzoek in samenwerking met het bedrijfsleven. Tegelijkertijd geeft de overheid een steeds groter deel van dat geld voor wetenschap en innovatie, bijvoorbeeld via de innovatiebox, uit aan (belasting)cadeautjes voor bedrijven.
Het kan en moet radicaal anders. Het Nederlandse wetenschaps- en innovatiebeleid faalt omdat het gebaseerd is op verkeerde aannames. Opeenvolgende kabinetten geloofden dat als ze bedrijven belastingvoordeel zouden geven voor het doen van onderzoek, die bedrijven zelf ook meer zouden investeren.
Tussen 2003 en 2010 verdubbelde het bedrag dat werd uitgegeven aan belastingvoordeel voor bedrijven die onderzoek doen; van 1,8 naar 3,7 miljard euro. Bedrijven zijn in dezelfde periode juist minder gaan investeren.
Het Centraal Planbureau en de Europese Unie oordelen vernietigend over het Nederlandse innovatiebeleid en met name de innovatiebox. Deze box zorgt ervoor dat bedrijven 5 in plaats van 25 procent belasting betalen over winst die voortkomt uit innovaties. In de Europese lijst van methoden die helpen onderzoek te stimuleren staat deze maatregel op plek 44. In 2012 kostte de innovatiebox 852 miljoen euro. Zestig procent van dat geld ging naar de zeer grote bedrijven. Hightechbedrijf ASML had in 2013 bijvoorbeeld 144 miljoen voordeel.
Een tweede aanname waarop het Nederlandse wetenschapsbeleid is gebaseerd, is dat onderzoek op universiteiten beter wordt als wordt samengewerkt met bedrijven. Ook dit klopt niet. Grote doorbraken worden juist vaker behaald bij langdurig, fundamenteel en onafhankelijk onderzoek.
De commercialisering van de wetenschap heeft de afgelopen jaren juist gezorgd voor gekleurde wetenschap. WC-Eendwetenschap waarbij de conclusies lijken op reclame voor de opdrachtgever. Zo adviseerde een hoogleraar op een leerstoel betaald door de zuivelindustrie melk te drinken, concludeerden wetenschappers met niet-vermeld financieel belang bij mondspoelmiddel Dentaid dat dit het beste middel is en ziet een hoogleraar duurzaamheid - wiens onderzoek mede wordt betaald door Shell en Gazprom - het als zijn taak de Nederlandse gasindustrie een betere positie in de wereld te geven.
Met publiek geld wordt nu private winst gemaakt. De Universiteit Utrecht investeerde bijvoorbeeld miljoenen in onderzoek in samenwerking met Danone. De patenten waarmee geld kan worden verdiend staan echter op naam van Danone.
Europees kampioenschap
Nederland moet meer en beter investeren in wetenschap en innovatie. Stop in naam van wetenschap en innovatie met het winnen van het Europees kampioenschap belastingcadeautjes aan bedrijven geven. Stop met de innovatiebox, stop met WC- Eendwetenschap. Stop met het financieren van de stagnatie van de wetenschap.
Investeer in wat wel werkt. Door meer geld uit te geven aan de regeling die het voor bedrijven goedkoper maakt onderzoekers aan te nemen, maar vooral door op universiteiten fors meer te investeren in langdurig, fundamenteel en onafhankelijk onderzoek.
Zo zorgen we dat belangrijke vragen wel gesteld kunnen worden. Zo zorgen we voor nieuwe wetenschappelijke doorbraken. 

maandag 19 september 2016

Pavel Jasman en Pjotr Pavlenski

Omstreden kunstenaar beweegt Russische rechercheur tot ontslag

Amber Dujardin − 31/07/15, 08:57
© reuters. Performancekunstenaar Pjotr Pavlenski sneed in 2014 zijn oorlel af uit protest tegen het politieke dwangpsychiatrie-beleid in Rusland.
Weinig mensen leken zoveel van elkaar te verschillen als Pavel Jasman (30) en Pjotr Pavlenski (31). De eerste was een Russische politie-onderzoeker in dienst van een land dat weinig opheeft met kritische geluiden, de tweede een kunstenaar die het bewind stelselmatig bekritiseert met shockerende performance art. Totdat Pavlenski zijn ondervrager ertoe bewoog om ontslag te nemen en zijn kant te kiezen - tot zijn eigen stomme verbazing.
De dissidente kunstenaar Pavlenski werd vorig jaar gearresteerd voor vandalisme, nadat hij autobanden in brand had gestoken op een historische brug in Sint Petersburg. De actie was bedoeld om steun te betuigen aan de protesten in Oekraïne.

Rusland wil hem daarvoor drie jaar celstraf opleggen. Volgens de Moscow Timesmoest Jasman een bekentenis zien uit te lokken bij Pavlenski, maar verliep die opdracht niet bepaald volgens plan. De gesprekken tussen de leeftijdgenoten leidden niet tot een biecht van de kunstenaar, maar tot een opmerkelijke carrièrewending van Jasman.
  • © reuters.
    Pavlenski snoerde zichzelf in 2012 letterlijk de mond uit protest tegen de vervolging van Pussy Riot.
Protest tegen corruptie
Pavlenski maakte de afgelopen jaren weinig vrienden in de Russische politiek. Hij naaide zijn mond dicht tijdens de vervolging vanPussy Riot, spijkerde zijn testikels vast aan het Rode Plein uit protest tegen onverschillige en corrupte politici en sneed zijn oorlel af om tegen het politieke dwangpsychiatrie-beleid in Rusland te ageren. Twee jaar geleden wikkelde hij zich voor een overheidsgebouw in Sint-Petersburg naakt in prikkeldraad om een persoon te symboliseren 'die gevangen zit in een repressief rechtssysteem'.

'Kunstenaar van de gerechtigheid'
Een kunstenaar die Rusland, kortom, graag achter de tralies ziet verdwijnen. Azend op een schuldbekentenis sprak Jasman daarom vorig jaar uitgebreid met Pavlenski over de aard en de grenzen van kunst. Tijdens zijn ondervragingen stelde hij zich aanvankelijk sardonisch en onzachtzinnig op. "Ik ben een kunstenaar van de gerechtigheid", zei hij spottend. "De inhoud van mijn kunst is statistiek. Ik heb een onschatbare bijdrage geleverd aan het opstellen van rapporten."

Pavlenski probeerde hem vervolgens de ideeën van kunstenaar Kazimir Malevitsj uit te leggen, waarop Jasman honend antwoordde dat het jammer was dat ze Malevitsj niet konden oproepen als getuige.
  •  
    Pavlenski is een heel sterk persoon. Ik vind het fantastisch dat hij zo vurig gelooft in wat hij doet
    Pavel Jasman
Cynisch steekspel
Maar wat begon als een cynisch steekspel, ontaardde gaandeweg in een dialoog over machtsverhoudingen. Tijdens de gesprekken, die Jasman tussen maart en juni 2014 met de kunstenaar voerde, keerde hij langzamerhand op zijn schreden terug. Toen hij Pavlenski geagiteerd vertelde dat hij ervan langs had gekregen van zijn meerderen omdat er nog steeds geen rechtszaak was, antwoordde de kunstenaar gedecideerd: "Dus je geeft toe dat je een stuk gereedschap bent. De regering maakt zijn mensen simpelweg tot instrument."

"Dat klopt", antwoordde Jasman.

Kort daarna legde de ondervrager zijn functie neer en schoolde zich om tot advocaat. En daar bleef het niet bij. Tot de stomme verbazing van Pavlenski vroeg Jasman het hof van Sint Petersburg of hij de kunstenaar in eigen persoon mocht verdedigen. "Pavlenski is een heel sterk persoon", zei hij onlangs in een interview met Moscow Times. "Ik vind het fantastisch dat hij zo vurig gelooft in wat hij doet."

Instrumenten
De kunstenaar was perplex. "Ik dacht eerst dat hij me op mijn gemak probeerde te stellen", aldus Pavlenksi. "Mensen die de wet handhaven zijn instrumenten, al het menselijke wordt onderdrukt... Maar veel van hen hebben twijfels of ze het goede doen, dus het menselijke element kan in strijd raken met het functionele."

Het hof wees het verzoek van Jasman eerder deze maand af omdat hij een belanghebbende in de zaak zou zijn. Maar dat de kunstenaar zijn leven heeft veranderd, bevestigt hij maar al te graag. "Ik denk dat zijn werk veel mensen kritischer heeft gemaakt, en hun wereldbeeld heeft veranderd."

dinsdag 4 maart 2014

nrc 28-12-12

Thuiszorg Een zorgcoöperatie kan hulp aan huis persoonlijker uitvoeren dan een grote zorginstelling. Hulpverleners en cliënten zijn gelukkig met de nieuwe aanpak

De chemokuren verzwakten haar. Daarom had ze hulp nodig bij het douchen, wassen en aankleden. Via een regionale zorgkolos kwam er hulp aan huis. In een paar maanden werd ze door dertig verschillende mensen gedoucht. Soms om half negen, soms om half elf; in elk geval tussen acht en twaalf. Voor elke douche stond een kwartier.

„Het was verschrikkelijk”, zegt haar man, Don van Sambeek (66), aan zijn eetkamertafel in Beek en Donk, vlak bij Helmond. „Al die vreemden bij ons in huis, die zulke intieme handelingen verrichtten.”

Het was 2005. Van Sambeek was net met de vut. Jarenlang was hij directeur geweest van de koepel waaronder alle 180 verzorgingstehuizen en 45 verpleeghuizen van Noord-Brabant vielen. Hij had vele fusies begeleid. En nu ondervond hij aan den lijve dat de grootschaligheid in de zorg was doorgeslagen. Het ging niet meer om de cliënt. Dat moest anders.

Tijdens zijn opleiding maatschappelijk werk had Van Sambeek geleerd de kracht van individuen aan te boren. De kracht van zorgvragers: zodat zij weer regie kregen over hun eigen verzorging en konden beslissen wie wanneer wat kwam doen. En de kracht van de zorgverleners: zodat zij niet meer als slaaf van urenschema’s de regio door sjeesden, maar weer de baas werden van hun eigen werkzaamheden. Hij richtte een zorgcoöperatie op en noemde haar: Tot uw Dienst.

Het werkt eenvoudig. Tot uw Dienst bemiddelt tussen mensen die zorg nodig hebben en zelfstandige verzorgenden. Zij maken vervolgens samen afspraken zodat zorg persoonlijker wordt en beter afgestemd op de wensen van de cliënt dan wanneer een grote zorginstelling het zou regelen.

Nee, hij heeft geen spijt van de fusies die hij heeft begeleid. Die waren nodig. In de jaren zestig en zeventig waren heel veel bejaardentehuizen gebouwd om de woningnood op te lossen. Ze hadden enkel een woonfunctie. Mensen gingen er vitaal in. Echt zieke mensen werden opgevangen in verpleegtehuizen; daar lagen ze met z’n zessen op een kamer.

Maar de mensen in de bejaardentehuizen werden ouder, kregen klachten. Het was van belang dat artsen en verzorgenden uit verpleegtehuizen hun kennis gingen delen met bejaardentehuizen, dat er meer samenwerking kwam.

„Alleen de schaalgrootte schoot door”, zegt Van Sambeek. „Toen de thuiszorg zich ook nog bij deze grote zorginstellingen aansloot, zette ik al mijn vraagtekens. Ik zag onder druk van de bezuinigingen en marktwerking instellingen steeds centraler komen te staan ten koste van de belangen van cliënten. Er werd gedacht dat fusies leidden tot goedkopere zorg, maar dat is niet zo. Er kwamen grotere gebouwen, meer staffuncties, meer bureaucratie. Je kunt het de instellingen niet kwalijk nemen. Ze handelden onder druk van verzekeraars en van Den Haag. Maar nu draait het zorgdirecteuren vooral nog om geld, macht, concurrentie.”

Inmiddels wil de regering wonen en zorg strikt scheiden. Er zijn wooncomplexen voor ouderen. Maar als ouderen hulp nodig hebben, moeten zij die apart inkopen. Mensen worden gestimuleerd zo lang mogelijk zelfstandig te wonen, omdat zorg in een tehuis duur is. Je krijgt alleen een indicatie voor zorg in een verpleegtehuis als je ernstig ziek bent, of dement. Die verpleegtehuizen zijn inmiddels omgebouwd tot plekken waar iedereen een eigen kamer heeft.

Van Sambeek: „De zorg in verpleegtehuizen moeten wij niet doen. Die is intern en zeer gespecialiseerd. Dat moeten zorginstellingen zelf regelen. Alle overige zorg aan huis kan Tot uw Dienst bieden.” Nu wordt die overige zorg vaak nog als vanzelfsprekend bij de zorgkolossen aangevraagd. Maar daarin gaat als het aan Van Sambeek ligt, verandering komen. „In Brabant zijn nu al zes zorgcoöperaties, daar komen er de komende maand acht bij. En ik weet nog van vijftien plekken waar mensen bezig zijn een coöperatie op te zetten. Ik was laatst in Friesland, Overijssel en Limburg om over de coöperatie te vertellen.”

Zijn vrouw krabbelde in 2005 na de chemokuren weer wat op. Ze ging weer schilderen, boetseren. In 2009 werd ze terminaal. Tot uw Dienst stelde een team van vier verzorgenden samen. Ze hoefde niet meer af te wachten welk meisje nu weer hoe laat op kwam dagen. „Ze kwamen elke dag op tijden dat het ons uitkwam. Zij overlegden onderling wie wanneer kon. Met dat team en met begeleiding van de huisarts kon mijn vrouw in alle rust thuis sterven.”

Hij knikt naar haar foto, centraal op een tafeltje in de kamer. En naar haar teken- en schilderspullen uitgestald op haar werktafel verderop.
Hoe werkt zorgcoöperatie Tot uw Dienst?

Zorgcoöperatie Tot uw Dienst heeft geen directeur, geen panden en ook geen andere overhead. Het is een organisatie die niets anders doet dan bemiddelen tussen iemand die zorg nodig heeft, en iemand die zorg kan leveren.

Het is een vereniging waar alle leden, zowel zorgvragers als zorgverleners, samen eigenaar van zijn. Leden betalen jaarlijks 15,60 euro contributie. Inmiddels telt de vereniging 287 leden, er komt dus jaarlijks zo’n 4.500 euro binnen.

De zorgverleners die via Tot uw Dienst werken zijn allemaal zelfstandigen, zzp’ers. Ze vragen 16,70 euro per uur voor huishoudelijke hulp en 22,90 euro voor verzorging. Ze dragen per uur een bedrag af aan de coöperatie: 1,50euro voor huishoudelijke hulp, 2euro voor zorg.

Van de contributie en de loonafdracht betaalt de coöperatie cursussen voor de zorgverleners. Dementie, tiltechniek, reanimatie. Ook wil de coöperatie op termijn ondersteuners contracteren. Nu werken de vier ondersteuners nog op vrijwillige basis.

Een voorbeeld. Piet komt uit het ziekenhuis na een ingrijpende operatie. Hij heeft verzorging nodig en huishoudelijke hulp. Hij belt Tot uw Dienst. Een ondersteuner van de coöperatie helpt hem indicaties aan te vragen. Voor huishoudelijke hulp via de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zorg via de Algemene wet bijzondere ziektekosten. Uiteindelijk komt er een beschikking waarin staat op hoeveel uren zorg hij recht heeft. Piet kan die hulp zelf inkopen met zijn persoonsgebonden budget. Hij stort dat budget op een nieuw rekeningnummer.

De ondersteuner van Tot uw Dienst zoekt een vast team van drie verzorgers bij elkaar. Bij een traditionele zorginstelling is het vaak onmogelijk zo’n vast team samen te stellen omdat er veel verschillende mensen op verschillende tijden werken. Verzorgenden worden bovendien als te duur voor huishoudelijk werk beschouwd, waardoor daarvoor weer apart personeel moet worden ingehuurd. Hierdoor komen er vaak heel veel verschillende mensen bij de cliënt over de vloer.

Als het klikt met het team maken ze afspraken. Hoe laat wilt u dat wij u komen wassen? Op welke dagen zullen we komen poetsen? Ze stellen hun afspraken op schrift en tekenen daarvoor. Vanaf dat moment trekt Tot uw Dienst zich terug. De verzorgers regelen onderling de planning.
Overal ontstaan er zorgcoöperaties

Zorgcoöperaties zijn in opkomst. Ze zijn een antwoord op bureaucratische zorgkolossen. De ene zorgcoöperatie bouwt een dagopvang of een wooncomplex voor ouderen. De ander een buurtwinkel. Wat ze gemeen hebben: kleinschalig bemiddelen tussen zorgvragers en zorgaanbieders.

maandag 27 januari 2014

De mens is een zwak schepsel


Willem Jan van Andel (interview)
Accountants moeten in overheidsdienst, vindt topcurator Willem Jan van Andel. Tegen je eigen commerciële belang in handelen, „dat is de mens niet gegeven”.
De mens is een zwak schepsel. En daarom heeft „iedereen disciplinerende werking nodig.” Daar is topcurator Willem Jan van Andel van overtuigd. Dat geldt zeker ook voor bestuurders, accountants en curatoren, mensen met wie hij in zijn beroep veel te maken heeft. Die kunnen moeilijk omgaan met tegengestelde belangen. En hebben streng toezicht nodig.
Zelfs de burger kan het niet alleen – zich aan de regels houden. „Stel dat er geen belastinginspecteurs zouden zijn, wie doet er dan nog correct aangifte?” Van Andel is even stil. „Tja. Ik rij ook wel eens te hard.”
Als één van Nederlands bekendste curatoren ziet de 51-jarige Van Andel keer op keer hoe het misgaat in de smeulende resten van een gevallen bedrijf. Bestuurders die de zaken te positief voorstellen, „in de drang hun succes te onderstrepen”. Accountants die daarin meegaan, „omdat het makkelijker is met hun goed betalende cliënt mee te denken”, in plaats van die „teleur te stellen”. De pakkans is klein, zegt Van Andel. Zo klein, dat die andere impulsen „psychologisch veel sterker” zijn.
Maar áls ze gepakt worden, kunnen ze rekenen op felle kritiek. Daar levert Van Andel graag zelf ook een bijdrage aan, als hij in de gelegenheid is. Recent gaf Van Andel de hoofdrolspelers in het faillissement van energiebedrijf Econcern er samen met medecurator Louis Deterink van langs. In een vorige maand uitgebracht rapport over dat faillissement schrijven zij dat de bestuurders van het failliete bedrijf „volstrekt irrealistische” prognoses deden. Accountant PcW keurde de gemanipuleerde jaarrekeningen „klakkeloos” goed.
Ook in het faillissement van ICT-bedrijf Landis trad Van Andel op als curator. Dat heeft de verantwoordelijke accountant, van Ernst & Young ditmaal, geweten. Van Andel diende samen met medecurator Rinke Dulack een tuchtklacht tegen hem in. Vorig jaar oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat de accountant bij de controle van de jaarrekening van Landis „in zeer ernstige mate tekortschoot”. Hij had gehandeld als een „niet integer accountant”.
Deze week kwam weer een accountantschandaal naar buiten. KPMG wordt door justitie „witwassen en valsheid in geschrifte” verweten bij het goedkeuren van de jaarrekeningen van bouwer Ballast Nedam. Het KPMG van nú zal dat niet meer overkomen, reageerde de firma. Van Andel gelooft daar niet in. „Dit zal niet het laatste boekhoudschandaal zijn.”
Waarom bent u zo sceptisch?
„Het hele accountantsberoep lijdt aan een fundamentele weeffout. Het is naïef te denken dat iemand die aan de ene kant van een opdrachtgever afhankelijk is voor zijn inkomsten en die opdrachtgever aan de andere kant strikt onafhankelijk kan controleren. Dat is de mens gewoon niet gegeven. Econcern en Landis komen toevallig naar buiten. Maar is het alléén bij die bedrijven misgegaan, die toevallig naar buiten komen? Dat denk ik niet. En dat denkt toezichthouder AFM ook niet. Uit hun onderzoeken blijkt dat meer dan de helft van de accountantscontroles wezenlijke fouten bevatten. Heel veel zien wij niet.”
„Kantoren hebben het nu steeds over integriteit en doen of ze veranderd zijn. Dat is niet zo. Je zag het nog vlak voordat ze accountantswerk en advieswerk van de wet moesten scheiden. Vlak voor die inging werden er nog snel allerlei nieuwe adviescontracten getekend.”
Wie moet de boeken dan controleren?
„Mensen die écht onafhankelijk zijn. Accountants die grote bedrijven controleren, zouden ambtenaren moeten worden. Alleen zo worden ze niet gehinderd door die belangenverstrengeling.”
Blijven er dan nog accountants over?
„We hebben toch ook belastingadviseurs? Er werken toch ook accountants voor de AFM en De Nederlandsche Bank? Er zijn altijd mensen die het niet primair om het geld te doen is.
Uw eigen beroepsgroep ligt ook geregeld onder vuur. Bijvoorbeeld omdat curatoren te veel uren declareren voor het werk dat ze doen. Bent u daar net zo kritisch over?
„Ik zal niet zeggen dat dat niet voorkomt. Het vak is voor een aanzienlijk deel op vertrouwen gebaseerd. Ik heb ook meegemaakt dat dat beschaamd wordt. Na het faillissement van vermogensbeheerder Befra in 2000 ontdekte ik dat een collega-curator te veel uren declareerde. Tot mijn verbazing reageerde de rechter-commissaris aanvankelijk nogal terughoudend .”
„Het draait tien keer meer om belangen dan om de feiten. Dat heb ik toen wel geleerd. Uiteindelijk heb ik een onderzoek geëist. En na veel omwegen gelijk gekregen. Op de dag dat de conclusies naar buiten kwamen, kreeg ik van de rechtbank weer een zaak toegewezen. De eerste sinds ik me met mijn klacht bij ze had gemeld.”
Vanwaar die reactie, denkt u?
„Gevestigde instituties willen geen gelazer in eigen huis. Ik werd er op aangekeken: een collega verlinken, dat doe je niet. Mijn opstelling maakte zoveel krachten los dat mijn benoeming als curator op het spel stond. Ik had het gevoel dat ik uitgerangeerd was.
„Mijn grootste angst was dat uit het onderzoek zou komen dat die door mij beschuldigde curator niets fout had gedaan. Dat zou het toppunt van onrechtvaardigheid zijn. Maar gelijk hebben is iets anders dan gelijk krijgen, merkte ik toen. Ik dacht: dat laat ik me niet gebeuren. Ik ben toen naar degene die dat onderzoek zou doen toe gestapt. ‘Als dit mijn val wordt, ga jij mee’, zei ik. Het was een moeilijke tijd.”
Nu gaan de zaken beter dan ooit. Van Andel heeft het druk. In zijn werkkamer in Utrecht liggen stapels dossiers op de grond. De uitgelopen zoom van zijn broek heeft hij vanochtend tijdelijk gerepareerd met twee paperclips. Geen zin om zich te verkleden. Een mooie klus níet aannemen, dat voelt „tegennatuurlijk”.
En klussen genoeg. In 2013 ging een recordaantal bedrijven failliet: zo’n 9.000. Van Andel verwacht niet dat dat er dit jaar veel minder zullen zijn. Het kabinet wil een doorstart graag makkelijker maken. Al vóór een bedrijf failliet is, moet een beoogd curator aan het werk kunnen om doorstart voor te bereiden. Klinkt als een uitkomst, maar Van Andel vindt het een slecht idee.
Waarom?
„Het kabinet houdt ons voor dat meer doorstarts goed zijn voor de werkgelegenheid. Maar dat is niet waar. Een faillissement is de makkelijkste manier om personeel te dumpen voor een ondernemer die zelf wil doorstarten. Die kan zonder dure werknemers en ontslagvergoeding verder. Bovendien leiden doorstarts dan tot concurrentievervalsing. Dan laat de ondernemer zijn schulden achter zich en gaat zonder ballast verder. Maar zijn concurrent moet zijn verplichtingen wél nakomen.”
Is het ontslagrecht te rigide?
„Er is geen zachte overgang tussen volledige ontslagbescherming vóór faillissement en geen enkele bescherming na faillissement. Bedrijven zonder een groot schuldenprobleem die personeel moeten ontslaan, maar dat niet meer kunnen betalen moet je niet failliet laten gaan. Die moet je een lagere ontslagvergoeding laten uitbetalen. Ik schat dat de sanering van personeel in zeker tientallen procenten van de faillissementen een belangrijke rol speelt.”
Maar u heeft als curator toch juist belang bij een doorstart?
„Dat klopt. Het levert voor de schuldeisers vaak meer op als het bedrijf, al dan niet in afgeslankte vorm, door kan, dan als de boedel geveild wordt. De curator dient inderdaad het belang van de schuldeisers. Maar de wet is er niet alleen voor de schuldeisers. Die is er om het maatscháppelijk belang te dienen.”
CV Advocaat en wiskundige
Willem Jan Maurits van Andel (Utrecht, 1962) wilde niet al zijn hele leven advocaat worden. Na het gymnasium ging hij in 1980 wiskunde studeren in Groningen. Later ging hij er rechten bij doen. Wiskunde vond hij mooi, maar ook een vak dat „in een ivoren toren” beoefend wordt. Na negen jaar was hij in beide studies afgestudeerd, cum laude. Hij wees een promotieplaats in de wiskunde af en was even onderwijsmedewerker op de juridische faculteit. In 1990 begon hij bij Wijn & Stael Advocaten in Utrecht, waar hij in 1998 partner werd. In zijn loopbaan was hij, in verschillende hoedanigheden, betrokken bij veel roemruchte faillissementen: Befra, Landis, KPNQwest, Van der Hoop en Econcern.
Weldoener India en Sri Lanka
De aanleiding is zijn verstandelijk gehandicapte zoon Marijn (23). Via zijn begeleider in een verzorgingstehuis raakte Van Andel bevangen door het welzijnsvirus. Hij wil gehandicapte kinderen helpen die in minder luxe geboren zijn. Vandaag reist hij er voor naar Sri Lanka, dan reist hij door naar India. Niet voor het eerst. Sinds 2006 is hij voorzitter van stichting Kinderen in India. „Dit laat ik niet meer los”, zegt hij over het vrijwilligerswerk waarvoor hij het liefst meer tijd vrijmaakt. „75 uur per week besteden aan faillissementen is te veel. Ik wil een betere balans.” Maar Van Andel weet ook dat hij moeilijk nee kan zeggen. „Ik wil geen spijt krijgen van de zaken die ik geweigerd heb.”

zaterdag 11 januari 2014

World’s Untold Stories

World’s Untold Stories
CNN, 15.00-15.30 uur 
en 22.30-23.00 uur
Het is ietwat vervreemdend: binnenkomen door glazen schuifdeuren en langs een receptie, om vervolgens weer buiten te staan, in een woonwijk zoals er zoveel zijn. Straatjes, huizen, een plein met fontein en buitenmeubilair, een supermarkt, restaurant, theater, kapper, bomen waaronder een bovenformaat schaakspel staat. Je wandelt er door het Vijverpark, langs de Boulevard, Passage en Korte Steeg, passeert een heer op leeftijd met twee net gekochte zakken krieltjes in zijn hand en een dame die bij het uitbureau kaartjes wil reserveren voor het pianoconcert van vanavond. Heel gewoon. Behalve dit: alle straten lopen dood op gesloten deuren, je kunt er nergens uit, behalve via diezelfde bewaakte doorgang. Want wie hier woont is dement, en moet derhalve binnen veilige muren blijven.
Een leven met dementie bestaat vooral uit verwarring. Daarom is er in Weesp voor een andere verpleeghuisvorm gekozen. Het hoge gebouw met lange dwaalgangen dat er stond ging tegen de vlakte om plaats te maken voor De Hogeweyk; verzamelnaam voor een buurt die sinds 2010 in 23 woningen 152 ouderen huisvest (gemiddelde leeftijd: 82 jaar) die daar in groepsverband en onder toezicht en met begeleiding (er werken, in wisseldiensten, 221 betaalde krachten en 140 vrijwilligers) min of meer leven zoals ze dat gewend waren. Ze doen boodschappen, koken zelf, maken praatjes en ommetjes, ze gaan uit.
Sanne van de Graafs eigenlijke werk is de in- en externe communicatie voor medewerkers, bewoners en hun familie, maar gezien het unieke concept van deze woonvorm heeft ze het ook nogal druk met de internationale belangstelling. Van de Graaf: ‘Duitsland, Australië, Frankrijk, Zwitserland, Brazilië; zowel media als collega’s overal vandaan willen weten hoe we dat hier doen.’ Want de kosten per bewoner zijn niet hoger dan in een ander verpleeghuis, maar het leven lijkt wel zoveel beter. Menswaardiger, dat vooral. ‘Zoiets als dit hoeft niet duurder te zijn, het is vooral een kwestie van anders denken, kijken en handelen.’ 
Wie in De Hogeweyk komt wonen wordt geplaatst in een huis met een leefstijl die zo dicht mogelijk komt bij de manier waarop het bestaan er voor de dementiediagnose uitzag. ‘Hier zie je een ambachtelijke woning, daarin zitten vooral mannen die met hun handen hebben gewerkt, timmerman waren bijvoorbeeld, ernaast is een Indisch huis. Daar zijn de tafels langer omdat er vaak familie aanschuift, en is het eten twee keer per dag warm.’ Het is het verschil tussen een konijnenhok naast de voordeur of twee boeddhabeelden op een muurtje. ‘En meer, binnen is er een totaal andere sfeer, er klinkt andere muziek, de inrichting verschilt, enzovoort.’ De overige woontypes zijn Goois (‘dat is op stand ja, men drinkt er wijn bij het diner en er zijn chocolaatjes bij de thee’), huiselijk, cultureel, stads en christelijk. 
De Mozart-zaal heeft een muzieksleutel als deurklink, binnen luistert men onder kroonluchters en naast roodfluwelen gordijnen naar klassieke muziek. Even verderop geven twee oude houten deuren met glas in lood toegang tot een bruin café, inclusief toog, waar meegezongen wordt met smartlappen. Ook CNN kwam zich verwonderen en oriënteren en zendt onder de ronkende titel Dementia Village vanaf vandaag tot en met dinsdag een reportage over De Hogeweyk uit.   

donderdag 9 januari 2014

Milieu

In Rwanda zijn geen plastic tasjes te vinden. De douane controleert. In de EU is 70% voor een verbod.
De malariamug ging zitten in het water dat zich ophoopte in wilde plastic zakjes.